Het geheim.

Hoofdstuk drie: Het geheim.

Daar gingen ze dan, beer en prinses, op weg naar de mergelstad. Een mooie zonnige herfstdag, terwijl het al begin winter was, maar het was nog net die overgang naar de echte koude winterdagen, hoe fijn om dan een dagje KERSTSTAD te gaan beleven.

Ze hadden van de hotelier het advies gekregen om te voet vanuit het hotel, langs de Geul, richting mergelstad te lopen, “Gewoon de bosrand volgen”, had de hotelier gezegd.
Een mooie wandelroute, zeker nu met de zon. Ondanks de regen van de afgelopen dagen, toch goed begaanbaar.

Zo lopende wilde prinses alles van beer weten, waar hij vandaan kwam, waar hij geweest was, wat zijn meest indrukwekkende reis was geweest, waar hij nog naar toe wilde gaan, zo veel vragen had ze.

Nog nooit had iemand zo oprecht aandacht gehad voor de beer, hij was altijd zeer bescheiden, ondanks dat hij zo groot was bijna niet aanwezig. Beer viel ook nooit op, mensen liepen langs en zagen hem niet staan. Een doodgewone beer dus, waar de meeste mensen gewoon aan voorbij zouden lopen. Maar de prinses had zijn echte ik gezien, een schat van een mens, een kerel als een boom, een beer met een hart van goud. Blij maakte hij haar van binnen. En vanuit binnen straalde ze dat naar buiten. De hele tijd een glimlach op haar gezicht, zo blij was ze. Leven wilde ze, ervaren, zien, genieten van het leven, beleven.

Beer op zijn beurt had dit nog nooit zo beleefd, ook hij had dat intense gevoel van blijdschap vanuit diep binnen in zijn hart. Ongeloof was er bij hem dat hij daar zo naast haar liep, naast deze mooie prinses. Opnieuw alsof hij droomde, zo mooi vond hij haar. Niet enkel van buiten, maar ook hoe ze was. Haar glimlach, die hij dus eigenlijk voedde, maar niet doorhad dat haar lach een reactie op hem was, daar zou hij nog wel achterkomen. Haar interesse in hem als persoon, voor het eerst in zijn leven sprak hij over zijn belevingen, zijn reizen, zijn leven, waardoor hij nu pas ook zag hoe mooi het leven is, nu pas was het alsof hij voor het eerst zichzelf zag, door haar de verhalen te vertellen, keek hij in een grote spiegel naar zichzelf en zag nu pas wat hij al jaren had. Dat maakte hem intens gelukkig. Beer zag gelukkig meteen dat het de prinses was die er voor zorgde dat hij nog gelukkiger werd door enkel haar aanwezigheid. Haar interesse in hem, in zijn leven, maakte dat hij zichzelf nog meer ging waarderen en vanuit haar ogen kon zien hoe mooi ook hijzelf was. Dit alles wekte zijn interesse in haar, in de kleine prinses. Elke gelegenheid die beer had om over haar leven, haar reizen, ervaringen, haar keuzes in het leven door te vragen, gebruikte beer om meer te weten te komen over wie zij was.

De wandeling had bijna twee uur geduurd, maar de tijd was voorbij gevlogen, prinses was zich hier ook van bewust, ze zei het ook aan beer dat de tijd zo’n bijzonder iets was. “Ken je dat geheim van de tijd?” had ze beer gevraagd. “Hoe bedoel je?”, beer begreep niet zo goed wat ze er mee bedoelde.

“Er is een groot geheim dat er bestaat, een geheim dat eigenlijk geen geheim is, want iedereen beleeft het, elke dag weer. Ieder mens kent het wel, maar denkt er helemaal niet over na. Bij de meeste mensen gaat dit geheim dan ook gewoon aan voorbij. Deze mensen hebben er geen enkel oog voor en zien het niet.

Dat geheim is de tijd.
We kennen het allemaal!
Dat de ene vijf minuten, uren kan duren en van de andere kant enkele uren, slechts vijf minuten kunnen duren. Er zijn mensen die dit geheim hebben ontdekt en proberen op allerlei manieren de tijd te vangen, te meten, te stoppen zelfs. Klokken, horloges, op je telefoon een agenda, een planning, het blijft ondanks dit alles ongrijpbaar. Het is en blijft afhankelijk van wat we in die tijd, op dat moment, beleven. En dat is net het geheim, dat de tijd in het hart woont, want tijd is afhankelijk van het leven, afhankelijk van hét béleven.”

De beer was diep onder de indruk. Hij had het zelf nog nooit zo gezien, ook hij was tot dan er gewoon aan voorbij gegaan. De Tijd.
Prinses vertelde hem over het boek dat ze gelezen had en ze dit geheim had ontdekt. De titel van het boek kon ze zich nog goed herinneren: “Momo, oder, die seltsame Geschichte von den Zeit-dieben und von dem Kind, das den Menschen die gestohlene Zeit zurückbrachte” van Michael Ende.
Dat citaat over de tijd in dat boek kon ze elk woord van herinneren. In de originele taal was de woordkeuze nog passender, de woorden in het Duits maakte het nog sterker:
“Es gibt ein großes und doch ganz alltägliches Geheimnis. Alle Menschen haben daran teil, jeder kennt es, aber die wenigsten denken je darüber nach. Die meisten Leute nehmen es einfach so hin und wundern sich kein bisschen darüber. Dieses Geheimnis ist die Zeit. Es gibt Kalender und Uhren, um sie zu messen, aber das will wenig besagen, denn jeder weiß, dass einem eine einzige Stunde wie eine Ewigkeit vorkommen kann, mitunter kann sie aber auch wie ein Augenblick vergehen, je nachdem, was man in dieser Stunde erlebt. Denn Zeit ist Leben. Und das Leben wohnt im Herzen.”

Hoe mooi was dat. Tijd.

En zo kwamen ze aan in de mergelstad. Vanuit het bos, de wandeling langs de Geul, vanuit die mooie natuur, stonden ze daar nu midden in de stad. Het was nog vroeg, maar ondanks dat al gigantisch druk. Met bussen kwamen mensen al in de vroege ochtend naar deze stad toe. Een groot succes was het, die kerstmarkten in de mergelgrotten. Lange rijen van mensen stonden er al te wachten, al meer dan 1 uur. Voor sommige die enkel maar wat voor zich uit zaten te kijken en zich verveelden, voor deze mensen duurde dat uur al een halve dag, voor andere die gezellig stonden te kletsen, genoten van de zon in het gezicht of genoten van het kijken naar andere mensen, deze mensen waren helemaal niet bezig met wachten, nee, ook die tijd konden zij gebruiken om te leven, te beleven. Beer merkte nu pas de essentie van het geheim, het geheim dat er tot dan altijd was geweest, maar hij nog nooit zo duidelijk had gezien.
Dankzij haar, hij keek naar haar en zag nog steeds de glimlach op haar gezicht. De twinkeling in haar ogen. Ze straalde gewoon. Hij zag haar liefde voor het leven, het kunnen beleven. Hij wist nu vrijwel zeker, dit zou een hele mooie dag gaan worden, een dag die misschien net daarom zo snel voorbij zou gaan, maar net door zich daar weer bewust van te zijn, nam hij nu pas elk moment heel bewust waar, hij ging net daardoor op elk detail letten en het bewust opnemen met al zijn zintuigen. Hij kwam in het hier en nu terecht, waardoor het zelfs leek alsof de tijd stil bleef staan, een soort van slowmotion, waarin zo veel prikkels tegelijk binnen kwamen, dat hij nu pas ook de geur van de lekker koffie rook, maar ook de geur van verse wafels, het geroezemoes van mensen kletsend in de rij, de lampjes die ondanks de zon, toch zichtbaar waren, de zon op zijn gezicht, de warmte, het lichte briesje van een wind, haar blik nu op hem, alsof ze daar nu eeuwig zo stonden, ze keken elkaar aan, nietszeggend, maar begrepen elkaar volkomen, voor het eerst nu, voelde ze het beide, daar nu in die menigte, tegenover elkaar, al uren liepen ze te kletsen, maar nu daar nietszeggend en in die intense drukte, kijkend in elkaars ogen, vergeten even de wereld om hun heen, verzonken in het moment, daar, nu, heerlijk, beer had dit lang niet meer gevoeld, dit warme gevoel in zijn hart, die blijheid, die verliefdheid. Ook de kleine prinses zag nu zelf pas wat ze tot dan bijna aan haar voorbij had laten gaan, een liefde voor iemand die tot voor kort voor haar steeds niet zichtbaar was geweest. Een grote beer, zo bescheiden, zo verlegen, zo stil, hoe kon hij haar ook ooit zijn opgevallen? Maar nu bij stom toeval hadden ze elkaar ontmoet. Ze had haar hart gevolgd en gewoon dat gedaan wat goed voelde. En nu daar zo samen, met z’n twee. Die kriebels in haar buik toen ze in zijn ogen keek. Zonder iets te zeggen, helemaal in het moment, als vanzelf, stonden ze nu tegen elkaar aan, kijkend in elkaars ogen, beide handen hadden elkaar al gevonden, die lichte aanraking had dat gevoel gegeven dat het goed was, dat zonder woorden het duidelijk was, wat beide voelde, de vingers die gezocht hadden, gestreeld, het vastpakken in elkaars handen, dat was al genoeg om te weten dat het fijn was, fijn om bij elkaar te zijn.
Het leek nu alsof ze daar helemaal alleen stonden, zij met z’n twee, tegen elkaar, beide handen in elkaar. Vandaar dat beer nu gewoon dat deed wat zijn hart hem vroeg. Kus haar!
Net voordat hij haar lippen raakte, keek hij in die mooie donkere ogen, haar glimlach, haar lippen, zijn ogen gingen dicht en nu voelde hij de zachte lippen van haar op de zijne, de zoet zachte smaak van de lipbalsem die ze net nog kort van te voren had opgedaan, warm, zacht, zoet. Zijn handen waren ondertussen op haar rug en hij omhelsde haar enig en drukte haar dichter tegen zich aan. Hij wilde haar nu voelen. Dit moment wilde hij pakken met beide armen. Nooit meer loslaten. For ever and ever vasthouden.

Zij had precies hetzelfde gevoeld, de lichte aanraking van zijn warme zachte handen, ondanks de kou, waren zijn handen heerlijk warm, zijn vingers hadden haar vingers verwarmd. In zijn ogen had ze de blijdschap gezien van de verhalen die ze hem had verteld. De liefde die hij voor haar voelde. De kriebels maakte het compleet. Vanzelfsprekend dat ze zich dan ook volledig kon geven op het moment zijn lippen de hare raakte. Het was zo heerlijk om in zijn armen te verzinken. In zijn innige omhelzing helemaal te verdwijnen en de wereld om haar heen volledig te vergeten.

Mensen begonnen spontaan te klappen. De mollige beer en de kleine prinses waren niet geheel onzichtbaar gebleven voor al die mensen om hen heen. Sommige hadden het koppel al zien aan komen lopen, hadden zich het tafereel aangekeken en waren min of meer meegesleurd in het sprookje dat zich voor hun ogen had afgespeeld. Vandaar ook dat de meesten zo om beer en prinses heen precies hadden gezien wat daar was gebeurt. Zo mooi ook om het te zien gebeuren. En de hoop ook dat die kus er uiteindelijk zou moeten komen. En ja, het moment dat die dan komt, kon het niet anders dan te laten blijken dat het klopte, dat het fijn was om te zien, vandaar het applaus. De lach op ieders gezicht. Fijn om er even deel van te zijn. Van dat moment, daar in het zonnetje, wachtend in de rij. Voor degene die dit alles had meegemaakt, begon de dag nu echt, het wachten op, was voorbij.

Het be-leven kon beginnen.

Een goede morgen!

Hoofdstuk twee: Een goede morgen!

Langzaam was de beer wakker geworden. Nog nooit had hij zo’n fijne droom gehad. Hij herinnerde zich daarom nog elk detail, hij kon het ook verklaren die mooie droom. Dat boek van Suske en Wiske, De Jollige Joffer, had hem de gedachte aan dat hotel gebracht, precies zoals in het stripverhaal te zien was, de rood met witte luikjes, zo boven op die heuvel dicht bij de mergelstad. Dan de boeken met de verhalen van Olivier Bommel en Tom Poes waar Beer als kleine beer vroeger uren in gelezen had. Daar had hij de man achter de balie in herkent. Precies zoals in de kleurprenten in het boek. En ook de meubels in de hotelkamer kwamen stuk voor stuk uit die verhalen. Dat alles had zijn droom met de kleine prinses gevormd. Zo ook de stoel waar hij nu vanuit het bed naar keek, de gordijnen tot op de grond met die leuke patroontjes erin. Hij keek de kamer rond, zag nu ook de lege kop thee staan. En nu pas ook bemerkte hij de arm die om hem heen lag. Langzaam ontwaakte hij uit de droom dat hij het enkel gedroomd had. De arm was echt, de hand bewoog. Vingers strelend zijn mollige buikje. Nu pas hoort hij ook de zachte ademhaling achter zijn rug, voelt hij tegen zijn rug steeds opnieuw die lichte warme luchtstroom, die lichtjes kietelt, maar o zo fijn is. Even blijven liggen, niet bewegen, anders is alles zo voorbij.

De kleine prinses was al vroeg wakker geweest, ze had nog nooit zo diep en heerlijk geslapen. Het zachte brommend snurken van de beer had haar heel veel rust gegeven. Heerlijk warme voeten had ze nu een keer gehad, anders waren ze altijd ijskoud, maar nu had ze haar voetjes stiekem gewarmd aan de beer. Die had daar niets van gemerkt, hij was helemaal weg geweest in zijn slaap. Hij had zelfs heel zachtjes “mmmmmheerlijk” gemompeld. Vroeg was ze wakker geworden en zich bewust geworden van iets dat tot dan voor haar niet zichtbaar was geweest. Hoe fijn het is om lief te hebben. Om bij iemand te zijn die gewoon lief is. Een grote knuffelbeer lag daar naast haar in bed. Een echte ook nog wel. Zo fijn om op deze manier de dag te beginnen. Genietend van elkaar. Niet bewegen dacht ze, anders is alles zo voorbij.

“Goede morgen”, sprak de beer toch op een gegeven moment toen hij bemerkt had dat de prinses al wakker was. Hij draaide zich om, daar lag ze echt naast hem, met die donkerbruine, bijna zwarte ogen, dat lang krullend zwart haar, die stralende glimlach, die sprankeling van leven in haar ogen. “Goede morgen Beertje, goed geslapen?”.
Goed geslapen? Hoe kon de beer haar gaan uitleggen dat dit de tot nog toe beste nacht was die hij ooit beleefd had, hoe kon hij haar vertellen over zijn gedachte dat hij gedroomd had dat hij droomde, maar in werkelijkheid de droom nu dit moment was welk hij samen met haar beleefde. Welke woorden moest hij gebruiken om dat mooie te beschrijven en het goed over te brengen? Maar woorden waren niet nodig, zijn ogen zeiden de kleine prinses al genoeg. Het was alsof ze konden spreken met elkaar zonder woorden.

“Wat zijn jouw plannen voor vandaag?” Vroeg de prinses.
De beer had daar nog helemaal niet over nagedacht, het liefst wilde hij dit moment voor eeuwig vasthouden, voor hem was dit het ultieme geluk. Wat wil een beer nog meer met dit weer, buiten koud en regenachtig, donker, de winter al een beetje in de lucht, een beer wil dan maar eigenlijk één ding; heerlijk lekker in bed blijven liggen.

“You can sleep when you are dead”, alsof ze zijn gedachte had gelezen. “Dat zegt een Amerikaanse vriendin van mij altijd. Genieten van je dag, carpe diem, pluk de dag. Ik weet het is moeilijk om op te staan, maar als je dan eenmaal wakker bent en er op uit gaat, dan denk je “Dit moet ik gewoon vaker doen”. Ik heb vandaag de kerstmarkt op m’n programma staan. Een kerstmarkt in de mergelgrotten. Het is er warm, droog en het schijnt een hele gezellige sfeer te zijn, met heel veel lampjes, muziek en lekker eten en drinken. Kom gewoon met mij mee!” En op dat moment kietelde de prinses beer in z’n buikje, haar glimlach, haar ogen, haar stem, haar krullend haar, alles maakte de beer heel blij en ja! hij had er zin in om met haar mee te gaan. “Is goed”, had de beer gezegd, “You can sleep when you are dead” herhaalde hij in gedachte nog een keer.

Prinses sprong op uit bed “Leuk! De kerstmarkt! IK ga als eerste douchen!”.

Beer blijft nog even liggen, hij zit met zijn gedachte nog een beetje in dromenland, kan het nog steeds niet geloven, hoe zijn leven er opeens heel anders uit ziet, de kleine prinses waar hij wel al eens vaker over gedroomd had, nu werkelijkheid?
Beer draaide zich om, lekker nog even z’n hoofd op dat heerlijke dikke kussen. Buiten was de wind gaan liggen, de zon was ondertussen zelfs langzaam te voorschijn gekomen, een hele mooie herfstdag zou het gaan worden, de kleuren van de bladeren in de bomen kon hij vanuit zijn bed bewonderen, zo op die heuvel was er een prachtig uitzicht over het Limburgse landschap. Net een schilderij. Een schilderij van de natuur, zo mooi hoe alle kleuren in elkaar overvloeien en nu met die ochtendzon dat rood, goudbruin een kunstwerk op zich was. Beer had daar grote bewondering voor, de kunst van de natuur, daar kon hij uren van genieten. Daarom was het ook zo voorbij de tijd waarin de prinses gedoucht had en zich helemaal aangekleed. Toen ze uit de badkamer kwam had beer haar vol verwondering aangekeken, als in slowmotion elk detail van haar bekeken, het haar zo mooi opgestoken, heel natuurlijk, nonchalante, maar toch chique, de ogen zo mooi donker en toch sprankelend en open, haar mooie lippen, haar jurkje, alles klopte met haar persoonlijkheid, sprankelend, levend, happy, beer werd helemaal blij, alleen al door naar haar te kijken. Zin had hij nu ook om er samen op uit te gaan, vandaar dat ook beer snel klaar was met douchen en opstaan en ze samen deze mooie zonnige dag tegemoet gingen.

Wordt vervolgd.

De grote beer en de kleine prinses

Hoofdstuk 1: De ontmoeting.

Er was eens een hele grote mollige beer, zo groot als hij was zo verlegen was die ook. Hij was niet mensenschuw, integendeel hij hield zielsveel van mensen, maar zo gauw hij een leuk gesprek zou kunnen beginnen, was hij te verlegen om te praten, dan was hij volledig afgeleid van het gesprek en meer bezig met alles wat er in hem gebeurde.

Het liefste was hij op reis, de wereld zien, mensen bekijken. En zo was hij op een dag op weg naar weer een leuke plek op de aarde. Omdat hij alleen was ging hij op de bonnefooi. Had hem tot nog toe nooit problemen gegeven, een leuk plekje was er altijd wel te vinden geweest voor hem. Zo was hij ook nu weer op pad en geheel in de veronderstelling een slaapplek voor die nacht te vinden. De hele dag was hij onderweg geweest en nu zocht hij een plek om te overnachten. Het regende, het was koud en al vroeg donker. Het eerste beste hotel waar hij langskwam ging hij naar binnen om te vragen of er nog een kamer vrij was.

In de verte had hij het verlichte hotel daar boven op die heuvel al gezien. Een leuk kasteelachtig hotelletje, met van die rood met wit gekruiste luikjes buiten aan de ramen. De verlichte letters HOTEL waren in de verte duidelijk zichtbaar geweest.

Kletsnat stond hij in de lobby. “Ping”, het belletje klonk door de gangen en niet lang daarna een deur achter de balie opende zich. Een heer in kostuum kwam naar voren en verwelkomde de beer heel vriendelijk. “Goede avond, wat een weertje brengt u mee. Wat kan ik voor u betekenen?”.Het was eigenlijk wel duidelijk wat de beer zou willen, maar toch vroeg hij er nog eens om: “Hebt u misschien nog een kamer vrij?”.

De heer in kostuum leek wel op een figuur uit de stripverhalen van Olivier Bommel en Tom Poes. Hij keek de beer een beetje triest aan en zei: ” Weet u, het zijn nu net de weken voor Kerst, de kerstmarkten in de grotten zijn aan de gang, dat trekt duizenden toeristen naar de mergelstad, die willen allemaal overnachten in deze idyllische omgeving, zeker in dit hotel, ook al ligt het wat afgelegen, ze vinden het toch, dus het spijt me maar we zitten helemaal vol. Waarschijnlijk alle hotels hier in de buurt.”

De beer had dit nog nooit meegemaakt, wist ook even niet wat hij moest zeggen of wat hij nu verder zou gaan doen, hij kreeg er ook nog niet de gelegenheid voor om lang hierover na te denken, een lieve stem vanuit het niets klonk in de gang bij de lobby. De kleine prinses had de beer al zien aankomen lopen, net op dat moment was ze naar buiten aan het kijken geweest naar de regen en het onweer, ze had al zo’n medelijden met hem gehad, de regen, de kou en donker was het al vroeg buiten, maar de grote beer viel wel op toen hij de oprit op liep naar het hotel, ze was zo nieuwsgierig geworden naar wat de beer er toe bracht om zo alleen en rond deze tijd nog op pad te zijn, ze kon zich niet bedwingen om stiekum naar beneden te gaan en net te doen alsof ze toeristische informatie ging zoeken in het rek aan de wand, in het hoekje bij de receptie. De beer had haar nog niet gezien, zo sneaky was ze er bij komen staan. De trieste blik van de beer had haar zo te pakken gehad, dat ze als vanzelf meteen de reactie gaf; “Als u wilt mag u bij mij op de kamer slapen”. De kleine prinses was die dag net aangekomen in het hotel. Sinds kort was ze weer vrijgezel. Het wilde maar niet lukken om de echte prins in haar leven te vinden. Steeds weer viel ze op de verkeerde mannen. Maar dat gebeurde vaak genoeg als vanzelf, de kleine prinses was zo mooi dat de meeste mannen niet de moed hadden om op haar af te stappen, of zo getroffen waren door haar schoonheid, waardoor het uitbrengen van enig zinnig woord onmogelijk was. Zeker de liefdevolle, gevoelige mannen, die niet enkel oog hadden voor haar schoonheid van buiten, maar ook het mooie van haar als mens konden zien, haar persoonlijkheid, die net zo verblindend was als haar uiterlijk. Vandaar dat enkel die mannen met een grote mond of een enorm ego op haar af durfde te stappen. Uiteraard is het leuk om aandacht te krijgen en aangesproken te worden, zeker als dame, want een vrouw gaat niet op een man af, daar wordt nog steeds zo over gedacht.

Gelukkig had ze deze keer haar hart gevolgd en voor dat zij er nog over kon nadenken had ze het al gevraagd. De woorden weerklonken nog na in de beer zijn gedachte; “Als u wilt mag u bij mij op de kamer slapen”.

De beer had naar alle waarschijnlijkheid zeer verbaasd gekeken, want meteen begon de prinses haar voorstel uit te leggen. Dat zij toch zo klein was en er een gigantisch dubbel bed op haar kamer was en zij toch altijd als een roosje slaapt en de kamer groot genoeg was voor wel vier grote beren, dat ze ervan overtuigd was dat er in het stadje en daaromheen nergens nog een plek vrij was, het al laat was, donker en nat, koud, dat ze zeker wist dat de beer een zeer vriendelijke beer was en zij geen enkel bezwaar zag dat hij bij haar op de kamer er bij kon logeren.

En zo geschiede, de beer liep achter haar aan, nadat hij was ingecheckt op haar kamer. Zijn hart had een sprongetje gemaakt, het moment hij zich had omgedraaid en de prinses had zien staan. Vol verwondering van haar verschijning. “Is goed” waren de enige woorden die hij had kunnen zeggen. Verbaasd, geheel onderste boven, uit het veld geslagen, liet hij zich meevoeren in de flow waar hij nu in terecht was gekomen. Samen gaan ze de kamer binnen, het is al laat en de beer heeft al een hele dag van reizen achter de rug. Een heerlijke douche zou nu fijn zijn, alsof de prinses zijn gedachte kon lezen vroeg ze of hij nog even wilde douchen, er waren genoeg handdoeken en douche gel en shampoo was ook allemaal aanwezig. Zonder twijfels ging hij meteen onder de douche, een regendouche, heerlijk, zo verfrissend, fijn, nog steeds ook verwonderd over waar hij nu was en met wie, de kleine prinses.

Helemaal fris en opgewekt kwam Beer uit de badkamer. De kleine prinses had al een kopje thee gemaakt en lag zelfs al in bed, ze zat rechtop, haar kopje thee aan haar hand, ze wees op het kopje thee aan de kant waar de beer zou gaan liggen, “Ik heb je een lekker kopje thee gemaakt, na die lange reis en die kou zal dat je wel goed doen”.

Beer kruipt in bed en gaat net als prinses tegen de achterwand aanzitten om nog even met een kop thee gezellig te kletsen. Buiten regent het nog steeds en waait het enorm, koud en donker, binnen schijnt het zonnetje zo lijkt wel.

Heerlijk is de thee, verse munt thee, precies zoals het hoort, thee met echte munt, een zakje thee, met daarbij nog verse munt, niet zoals meestal gebruikelijk is enkel muntblaadjes en geen thee, maar dat weten de meeste horeca gelegenheden niet, maar de prinses heeft roots vanuit Marokko, want daar is het gebruikelijk om munt bij de thee te hebben, met heerlijke honing er bij. De beer geniet intens van het lekkere warme drankje. “Dank je wel, dit doet echt goed, heerlijk!” Met een brede glimlach laat de prinses zien dat ze het heel fijn vond om te bemerken dat de beer het kan waarderen wat ze voor hem gemaakt had. Wie had dat nu een uur geleden gedacht, dat ze nu met een lieve leuke beer op haar kamer lag. Ze moest er ook een beetje om lachen bij die gedachte. De beer zag dat lachje van haar en vroeg haar dan ook “Waar denk je aan?”. Nu pas merkte de prinses zelf op dat ze bijna hardop aan het denken was geweest. “Het is toch wel grappig, dat een uur geleden ik nog helemaal alleen hier op deze kamer lag en nu een lieve leuke grote beer hier naast me ligt.” Ook nu moest de beer lachen, hij realiseerde het zich nu ook pas echt in welke bizarre situatie ze terecht waren gekomen. “Weet je, dit is voor mij de eerste keer dat ik met een echte prinses in bed lig, en dan ook nog zo’n mooie prinses.” De kleine prinses werd er helemaal verlegen van, ze wist wel dat ze mooi was, dat had ze ook al vaker gehoord, maar nu in deze situatie was het toch anders, nu deed het haar wat, de woorden raakte haar hart, ze vond het heerlijk, het gaf haar net zo’n warm gevoel als de thee met honing.

De beer vertelde nog uitgebreid over zijn reis en zijn passie voor reizen, de prinses waar ze vandaan kwam en wat ze in het mergelstadje nog allemaal wilde gaan zien. Langzaam werd het later en beide waren moe. “Zullen we gaan slapen”, had de beer toch op een gegeven moment gezegd. Waarop kort daarna beide in een diepe slaap waren. Eerst nog naast elkaar, kort daarna had de kleine prinses zich omgedraaid en spontaan haar arm om het middel van de beer gelegd. Hij had het heel kort maar bemerkt, half slaperig, voor hem was het alsof hij in een droom was, vandaar dat hij weer snel in slaap viel. De werkelijkheid was nu nog mooier dan de mooiste droom die hij ooit had gehad. Slaapdronken als hij was, viel hij als een blok in slaap. Heerlijk.

Wordt vervolgd.