Het geheim.

Hoofdstuk drie: Het geheim.

Daar gingen ze dan, beer en prinses, op weg naar de mergelstad. Een mooie zonnige herfstdag, terwijl het al begin winter was, maar het was nog net die overgang naar de echte koude winterdagen, hoe fijn om dan een dagje KERSTSTAD te gaan beleven.

Ze hadden van de hotelier het advies gekregen om te voet vanuit het hotel, langs de Geul, richting mergelstad te lopen, “Gewoon de bosrand volgen”, had de hotelier gezegd.
Een mooie wandelroute, zeker nu met de zon. Ondanks de regen toch goed begaanbaar.

Zo lopende wilde prinses alles van beer weten, waar hij vandaan kwam, waar hij geweest was, wat zijn meest indrukwekkende reis was geweest, waar hij nog naar toe wilde gaan, zo veel vragen had ze.

Nog nooit had iemand zo oprecht aandacht gehad voor de beer, hij was altijd zeer bescheiden, ondanks dat hij zo groot was bijna niet aanwezig. Beer viel ook nooit op, mensen liepen langs en zagen hem niet staan. Een doodgewone beer dus, waar de meeste mensen gewoon aan voorbij zouden lopen. Maar de prinses had zijn echte ik gezien, een schat van een mens, een kerel als een boom, een beer met een hart van goud. Blij maakte hij haar van binnen. En vanuit binnen straalde ze dat naar buiten. De hele tijd een glimlach op haar gezicht, zo blij was ze. Leven wilde ze, ervaren, zien, genieten van het leven, beleven.

Beer op zijn beurt had dit nog nooit zo beleefd, ook hij had dat intense gevoel van blijdschap vanuit diep binnen in zijn hart. Ongeloof was er bij hem dat hij daar zo naast haar liep, naast deze mooie prinses. Opnieuw alsof hij droomde, zo mooi vond hij haar. Niet enkel van buiten, maar ook hoe ze was. Haar glimlach, die hij dus eigenlijk voedde, maar niet doorhad dat haar lach een reactie op hem was, daar zou hij nog wel achterkomen. Haar interesse in hem als persoon, voor het eerst in zijn leven sprak hij over zijn belevingen, zijn reizen, zijn leven, waardoor hij nu pas ook zag hoe mooi het leven is, nu pas was het alsof hij voor het eerst zichzelf zag, door haar de verhalen te vertellen, keek hij in een grote spiegel naar zichzelf en zag nu pas wat hij al jaren had. Dat maakte hem intens gelukkig. Beer zag gelukkig meteen dat het de prinses was die er voor zorgde dat hij nog gelukkiger werd door enkel haar aanwezigheid. Haar interesse in hem, in zijn leven, maakte dat hij zichzelf nog meer ging waarderen en vanuit haar ogen kon zien hoe mooi ook hijzelf was. Dit alles wekte zijn interesse in haar, in de kleine prinses. Elke gelegenheid die beer had om over haar leven, haar reizen, ervaringen, haar keuzes in het leven door te vragen, gebruikte beer om meer te weten te komen over wie zij was.

De wandeling had bijna twee uur geduurd, maar de tijd was voorbij gevlogen, prinses was zich hier ook van bewust, ze zei het ook aan beer dat de tijd zo’n bijzonder iets was. “Ken je dat geheim van de tijd?” had ze beer gevraagd. “Hoe bedoel je?”, beer begreep niet zo goed wat ze er mee bedoelde.

“Er is een groot geheim dat er bestaat, een geheim dat eigenlijk geen geheim is, want iedereen beleeft het, elke dag weer. Ieder mens kent het wel, maar denkt er helemaal niet over na. Bij de meeste mensen gaat dit geheim dan ook gewoon aan voorbij. Deze mensen hebben er geen enkel oog voor en zien het niet.

Dat geheim is de tijd.
We kennen het allemaal!
Dat de ene vijf minuten, uren kan duren en van de andere kant enkele uren, slechts vijf minuten kunnen duren. Er zijn mensen die dit geheim hebben ontdekt en proberen op allerlei manieren de tijd te vangen, te meten, te stoppen zelfs. Klokken, horloges, op je telefoon een agenda, een planning, het blijft ondanks dit alles ongrijpbaar. Het is en blijft afhankelijk van wat we in die tijd, op dat moment, beleven. En dat is net het geheim, dat de tijd in het hart woont, want tijd is afhankelijk van het leven, afhankelijk van hét béleven.”

De beer was diep onder de indruk. Hij had het zelf nog nooit zo gezien, ook hij was tot dan er gewoon aan voorbij gegaan. De Tijd.
Prinses vertelde hem over het boek dat ze gelezen had en ze dit geheim had ontdekt. De titel van het boek kon ze zich nog goed herinneren: “Momo, oder, die seltsame Geschichte von den Zeit-dieben und von dem Kind, das den Menschen die gestohlene Zeit zurückbrachte” van Michael Ende.
Dat citaat over de tijd in dat boek kon ze elk woord van herinneren. In de originele taal was de woordkeuze nog passender, de woorden in het Duits maakte het nog sterker:
“Es gibt ein großes und doch ganz alltägliches Geheimnis. Alle Menschen haben daran teil, jeder kennt es, aber die wenigsten denken je darüber nach. Die meisten Leute nehmen es einfach so hin und wundern sich kein bisschen darüber. Dieses Geheimnis ist die Zeit. Es gibt Kalender und Uhren, um sie zu messen, aber das will wenig besagen, denn jeder weiß, dass einem eine einzige Stunde wie eine Ewigkeit vorkommen kann, mitunter kann sie aber auch wie ein Augenblick vergehen, je nachdem, was man in dieser Stunde erlebt. Denn Zeit ist Leben. Und das Leben wohnt im Herzen.”

Hoe mooi was dat. Tijd.

En zo kwamen ze aan in de mergelstad. Vanuit het bos, de wandeling langs de Geul, vanuit die mooie natuur, stonden ze daar nu midden in de stad. Het was nog vroeg, maar ondanks dat al gigantisch druk. Met bussen kwamen mensen al in de vroege ochtend naar deze stad toe. Een groot succes was het, die kerstmarkten in de mergelgrotten. Lange rijen van mensen stonden er al te wachten, al meer dan 1 uur. Voor sommige die enkel maar wat voor zich uit zaten te kijken en zich verveelden, voor deze mensen duurde dat uur al een halve dag, voor andere die gezellig stonden te kletsen, genoten van de zon in het gezicht of genoten van het kijken naar andere mensen, deze mensen waren helemaal niet bezig met wachten, nee, ook die tijd konden zij gebruiken om te leven, te beleven. Beer merkte nu pas de essentie van het geheim, het geheim dat er tot dan altijd was geweest, maar hij nog nooit zo duidelijk had gezien.
Dankzij haar, hij keek naar haar en zag nog steeds de glimlach op haar gezicht. De twinkeling in haar ogen. Ze straalde gewoon. Hij zag haar liefde voor het leven, het kunnen beleven. Hij wist nu vrijwel zeker, dit zou een hele mooie dag gaan worden, een dag die misschien net daarom zo snel voorbij zou gaan, maar net door zich daar weer bewust van te zijn, nam hij nu pas elk moment heel bewust waar, hij ging net daardoor op elk detail letten en het bewust opnemen met al zijn zintuigen. Hij kwam in het hier en nu terecht, waardoor het zelfs leek alsof de tijd stil bleef staan, een soort van slowmotion, waarin zo veel prikkels tegelijk binnen kwamen, dat hij nu pas ook de geur van de lekker koffie rook, maar ook de geur van verse wafels, het geroezemoes van mensen kletsend in de rij, de lampjes die ondanks de zon, toch zichtbaar waren, de zon op zijn gezicht, de warmte, het lichte briesje van een wind, haar blik nu op hem, alsof ze daar nu eeuwig zo stonden, ze keken elkaar aan, nietszeggend, maar begrepen elkaar volkomen, voor het eerst nu, voelde ze het beide, daar nu in die menigte, tegenover elkaar, al uren liepen ze te kletsen, maar nu daar nietszeggend en in die intense drukte, kijkend in elkaars ogen, vergeten even de wereld om hun heen, verzonken in het moment, daar, nu, heerlijk, beer had dit lang niet meer gevoeld, dit warme gevoel in zijn hart, die blijheid, die verliefdheid. Ook de kleine prinses zag nu zelf pas wat ze tot dan bijna aan haar voorbij had laten gaan, een liefde voor iemand die tot voor kort voor haar steeds niet zichtbaar was geweest. Een grote beer, zo bescheiden, zo verlegen, zo stil, hoe kon hij haar ook ooit zijn opgevallen? Maar nu bij stom toeval hadden ze elkaar ontmoet. Ze had haar hart gevolgd en gewoon dat gedaan wat goed voelde. En nu daar zo samen, met z’n twee. Die kriebels in haar buik toen ze in zijn ogen keek. Zonder iets te zeggen, helemaal in het moment, als vanzelf, stonden ze nu tegen elkaar aan, kijkend in elkaars ogen, beide handen hadden elkaar al gevonden, die lichte aanraking had dat gevoel gegeven dat het goed was, dat zonder woorden het duidelijk was, wat beide voelde, de vingers die gezocht hadden, gestreeld, het vastpakken in elkaars handen, dat was al genoeg om te weten dat het fijn was, fijn om bij elkaar te zijn.
Het leek nu alsof ze daar helemaal alleen stonden, zij met z’n twee, tegen elkaar, beide handen in elkaar. Vandaar dat beer nu gewoon dat deed wat zijn hart hem vroeg. Kus haar!
Net voordat hij haar lippen raakte, keek hij in die mooie donkere ogen, haar glimlach, haar lippen, zijn ogen gingen dicht en nu voelde hij de zachte lippen van haar op de zijne, de zoet zachte smaak van de lipbalsem die ze net nog kort van te voren had opgedaan, warm, zacht, zoet. Zijn handen waren ondertussen op haar rug en hij omhelsde haar enig en drukte haar dichter tegen zich aan. Hij wilde haar nu voelen. Dit moment wilde hij pakken met beide armen. Nooit meer loslaten. For ever and ever vasthouden.

Zij had precies hetzelfde gevoeld, de lichte aanraking van zijn warme zachte handen, ondanks de kou, waren zijn handen heerlijk warm, zijn vingers hadden haar vingers verwarmd. In zijn ogen had ze de blijdschap gezien van de verhalen die ze hem had verteld. De liefde die hij voor haar voelde. De kriebels maakte het compleet. Vanzelfsprekend dat ze zich dan ook volledig kon geven op het moment zijn lippen de hare raakte. Het was zo heerlijk om in zijn armen te verzinken. In zijn innige omhelzing helemaal te verdwijnen en de wereld om haar heen volledig te vergeten.

Mensen begonnen spontaan te klappen. De mollige beer en de kleine prinses waren niet geheel onzichtbaar gebleven voor al die mensen om hen heen. Sommige hadden het koppel al zien aan komen lopen, hadden zich het tafereel aangekeken en waren min of meer meegesleurd in het sprookje dat zich voor hun ogen had afgespeeld. Vandaar ook dat de meesten zo om beer en prinses heen precies hadden gezien wat daar was gebeurt. Zo mooi ook om het te zien gebeuren. En de hoop ook dat die kus er uiteindelijk zou moeten komen. En ja, het moment dat die dan komt, kon het niet anders dan te laten blijken dat het klopte, dat het fijn was om te zien, vandaar het applaus. De lach op ieders gezicht. Fijn om er even deel van te zijn. Van dat moment, daar in het zonnetje, wachtend in de rij. Voor degene die dit alles had meegemaakt, begon de dag nu echt, het wachten op, was voorbij.

Het be-leven kon beginnen.